(Atlas-, Libanon-, Himalaya-) Ceder
Cedrus (atlantica, libani, deodora)

De ceder is een wijd verbreide boom in het "Oude kontinent" : van het Middellandse zee-gebied (de Atlasceder in Noord- Afri-ka en de Cyprusceder), over het Midden-Oosten (de Turkse ce-der en de Libanonceder) tot het Verre Oosten (de Himalaya-ce-der of deodar). Heel zeker voor naaldbomen, zijn het sierlijke, ornamentale bomen die tot 50 meter hoog kunnen worden. De tafelvormige groei van hun takken, geven een aantal "étages" wat hun verschijning nog geraffineerder maakt. Anderen heb-ben afhangende takken, maar dan alweer op een elegante wijze, en veel ordelijker dan dit bijvoorbeeld het geval is bij de treur-wilg. Het is als het ware een "design-boom", en werd in het ver-leden, en wordt nog steeds, om die reden frekwent aangeplant als sierboom in parken, grote domeinen en zelfs kerkhoven.

Een ceder als solitair is een eyecatcher en een pronkstuk in een tuin. Neem daarbij nog eens de spektakulaire kegels, die alweer wat hun uitzicht en grootte betreft ook bijzonder zijn, en je hebt met de ceder een werkelijk mooie, en in het oog springende boom. Geen wonder dus, dat hij officiëeel is uitgeroepen tot de nationale boom van zowel Libanon (en als nationaal symbool op de vlag prijkt), als van Pakistan. Bij de Hindoes heeft hij zelfs een "goddelijke status" gekregen, zoals uit zijn naam "deo-dar" blijkt: dat is afgeleid van het Sanskriet devadaru. Deva = god + daru = boom, betekent dus : boom van de goden.
Een cederboom past zich gemakkelijk aan aan de omstandighe-den, en kan dus klimatologies heel wat verdragen: zowel droog-te als hitte, als koude (-25 tot -30 C), als hoogte (zijn voorko-men in bergstreken van de Atlas en Himalaya!).

De ceder is bovendien ook een "nuttige" of bruikbare boom. Sedert oudsher zijn ceders bekend om hun geurend en duur-zaam hout, dat goed tegen verrotting en insektenvraat bestand is. Hij werd in het verleden dan ook gebruikt voor de bouw van religieuze gebouwen en tempels. Op die manier was zijn aanwe-zigheid dubbel: als levende boom in de omgeving van tempels, en als hout in de konstruktie van de tempels. Door zijn resisten-tie tegen verrotting door water, wordt hij gebruikt voor het ma-ken van de bijzondere woonboten van Srinagar in Kashmir. Toen India een Engelse kolonie was, werd cederhout intensief gebruikt voor het maken van barakken, huizen, bruggen, kana-len en spoorwegen. Van recentere datum dateert de toepassing om tuinhuizen en magazijnen te voorzien met een dak uit ce-der-pannen: stukken cederhout die dakpansgewijs over en bo-ven elkaar worden gestapeld.

Het gebruik van cederhout als insektenwerend middel is dub-bel: onder de vorm van wierrook, en onder de vorm van essen-tiële olie, bekomen door destillatie van het hout. Cederbomen kennen geen vraat door insekten; integendeel: de insekten mij-den de boom. Daarop berust het sedert oudsher gebruik van ceder-olie als insektenwerend middel, aangebracht aan de po-ten van paarden, vee of kamelen. Vanwege zijn geur wordt ce-der ook gewoon verwerkt in zeep, parfums, boenwas voor meu-bels en vloeren, sprays, ....... En omwege zijn aromatiese kwali-teiten wordt ceder-olie ook speciaal gebruikt in de aromathe-rapie. Dat laatste schenkt ons een inkijk in het energiepatroon van de boom: door na te gaan voor welke ongemakken en welk type mens cederolie wordt toegepast, kunnen we een beeld krijgen van het wezen van de ceder.

Tegelijk zorgt dit voor een wederkerend probleem: als men de lijst van alle kwalen en ongemakken bekijkt, waarvoor cederolie wordt gebruikt dan is dat een lange lijst. Want ceder wordt ge-bruikt bij: acne, eczeem, een vette huid, roos, schimmelinfec-ties, haarverlies, puistjes, zweertjes, jeuk, artritis, reuma, bron-chitis, verkoudheid, hoest, blaasontsteking, pijnlijk en moeilijk urine-ren, witte vloed, nervositeit, cellulitis, striae of zwanger-schaps-striemen, uitputting, spanning, stress, uitslag, nervosi-teit, huid-aandoeningen, vermoeidheid, slapeloosheid, ver-moeide huid en afbrekende nagels. Ze werkt antiseptisch, krampstillend , slijm-oplossend.

Welk is nu de gemeenschappelijke noemer, van waaruit we op onze beurt de ceder-energie en de ceder-mens uit kunnen destilleren? Centraal staat dat aanpassingsvermogen: men probeert om met iedereen overeen te komen; iedereen ter wille te zijn. Voordeel: men trekt gezelligheid en genegenheid aan; men is geliefd en "populair". Nadeel: door tegemoet te komen aan wat anderen vragen en wensen, "vergeet hij (of zij) zich-zelf". Hierdoor voelt hij zich onzeker, en onder druk gezet door wat men van hem verwacht. Dit begint al vrij vlug in de kin-dertijd: het cedertype voelt zich "onderdrukt" door zijn ouders omdat hij niet zichzelf kan zijn. Hij krijgt immers aandacht, niet om wie hij werkelijk is, maar om het beeld dat zijn ouders van hem hebben.

Ook later, moet hij beantwoorden aan hoe anderen hem (wil-len) zien, in plaats van zich te kunnen manifesteren zoals hij is. Zelfs als hij dan dingen vindt, waarin hij goed en succesvol is, blijft de onzekerheid knagen: hij heeft niet het gevoel dat hij zijn eigen leven bepaalt, maar dat dit in handen is van de an-deren. Vandaar ook zijn overgevoeligheid voor wat anderen over hem zeggen en denken: zijn eigenliefde is te sterk afhan-kelijk van de respons uit de buitenwereld. De psycho-somatiese klachten ontstaan vanuit deze disharmonie tussen innerlijke en uiterlijke wereld. Mijn wijlen vrouw was een ceder-type; haar Chinese naam verwees daar trouwens naar.

Evenwicht verwijst astrologies naar Weegschaal en zijn heerser Venus. Ceder-types willen te lief zijn voor hun medemensen, en kunnen niet neen zeggen. Ze moeten leren meer voeling te krijgen met wat zij zelf willen, en zich van die "anderen" min-der aan te trekken: zij zullen dan ook meer het gevoel krijgen hun eigen leven te beheersen, en de broodnodige balans en rust daartoe vinden om dat daadwerkelijk uit te kunnen voeren.