De Lork - Larix
(larix decidua)

De oorsprong van het woord larix (lariks) is niet bekend. De soortaanduiding decidua betekent "met vallende naalden" (of bladeren bij loofbomen) ; van het Latijnse "de" (=naar bene-den) en "cadere" (=vallen"). De knoppen zijn bruin, schubbig en harsachtig. De Europese lork heeft zachte naalden van 2-3 cm lang. Ze groeien in bosjes van twintig tot dertig aan korte loten. De loten zijn aanvankelijk bleekgeel of enigszins roze, lang en hangend. In maart zijn ze esmeraldgroen, maar later worden ze donkerder. In de herfst zijn ze verkleurd tot goud-geel, en vallen dan af.

Voor de rest is de lork een naaldboom zoals alle andere: hij bloeit in het voorjaar, met kleine, gele, hangende mannelijke kegels, en iets grotere, rode, opstaande vrouwelijke kegels. Daar -uit ontstaan bruine, eivormige kegels met afgeronde schub-ben van zo'n 3 cm groot.
De boom zelf kan uitgroeien tot 30m hoog, maar blijft meestal kleiner. Larikshout is duurzaam, watervast en sterk. Het wordt onder andere gebruikt voor omheiningen, als bouwhout (zowel binnen als buiten), voor scheepsrompen, schuttingen, poorten, vissersboten, trappen, enzovoort. Omdat de stam bijzonder recht is, leende de Europese lork zich vroeger prima om te die-nen als telefoonpaal.

Larikshout is zeer slecht brandhout, vervuilend en knetterend, door de grote hoeveelheid hars erin. Maar dit geeft dan weer andere toepassingsmogelijkheden: uit lorken wordt zoals uit dennen, hars gewonnen, om er terpentijn van te maken. Door in de boom een inkerving te maken, en de vloeistof in een potje op te vangen.

De lork is de enige naaldboom die zijn bladeren verliest. Hij doet dat als aanpassing aan de extreme omstandigheden waaraan hij is bloot gesteld. Normaliter is het hebben van naalden als "bladeren" een voldoende aanpassing aan de koude: de harde, kleine naalden met weinig oppervlakte gaan verdam-ping tegen. Maar de lork groeit bovendien nog eens in het ge-bergte, op grote hoogte, wat een dubbele belasting geeft: hij groeit op erg barre plaatsen. Hij weet daar te overleven, niet in de eerste plaats door zijn "sterkte" en vitaliteit, dan wel door zijn "mee-gaandheid": weet je wat? als dat nodig is, dan verlies ik maar ieder jaar mijn naalden; noodzaak breekt wet. Dan ben ik maar de "uitzondering" onder de naaldbomen, en wat dan nog?

De lork heeft daar zelf geen enkel probleem mee, van het "bui-tenbeentje" onder de coniferen te zijn. Hij is anders dan de anderen, maar hij is niet "alleen": daar waar hij voorkomt, komt hij in grote getalle voor. Zowel in Europa als in Canada, SiberiŽ, de Himalaya, Zuid-West China als in Japan komen grote Lariks-bossen voor. De Europese lariks (Larix decidua) komt van nature voornamelijk voor in de Alpen en de Karpaten, nabij de boomgrens: in het hooggebergte is de lork het laatste bastion. Meestal is de larix dan als pioniersvegetatie aanwezig: hij vult de open gaten op in sparrenbossen welke ontstaan zijn door lawines. Op andere plaatsen is hij een wegbereider voor andere bomen en struiken: hij maakt leefbare niches in barre woestenijen. De Siberische taiga, nog zo'n onherbergzame(!) plek, wordt voor een belangrijk deel beheerst door twee soor-ten: de Siberische lariks (Larix sibirica) in West-SiberiŽ en de Aziatische lariks (Larix gmelinii) in Oost-SiberiŽ.

Bij de Bach-bloesems staat de larix bekend onder het thema zelfvertrouwen. Zelfvertrouwen is echter iets typies voor "ego-beluste" wezens, de "Leeuwen" onder ons. In een sketch van The Mounty Python, werd het pretentieuze van de zelfin-genomen intellektueel in zijn blootje gezet: iedere keer dat de voorname spreker zijn voordracht wou beginnen met een dia van de lork, " thi larch", werd die gewoon opgeblazen! In ver-band met de lork, is het dus beter te spreken over vertrouwen tout-court: vertrouwen in het leven, vertrouwen in de levens-stroom, vertrouwen in het lot, vertrouwen in een kentering. Na regen komt zonneschijn; na de winter komt de lente; na ver-driet komt vreugde; na tegenslag komt meeval. Er is hoop, steeds hoop, ook in de donkerste dagen van ons bestaan en de ellendigste momenten van ons leven.

Op een naïeve manier bekeken, geeft dit: het leven gaat voort en vooruit, en de dingen komen uiteindelijk steeds "goed". Niet dus, omdat we de pijn, de lidtekens, en het leed dat we hebben meegemaakt, moeten "dragen": die gaan niet "weg" als met een magiese toverstok. Er komt dus niet steeds en altijd een "happy end".

Maar er komt wel steeds een einde aan alles: zowel aan leuke dingen, wat jammer is, als aan vervelende dingen, wat gelukkig is. Als mens gaan we dus steeds van de ene fase naar de an-dere, waarbij we tegelijk dingen verliezen, en andere dingen moeten omarmen. Het leven als een voortdurend proces van verandering, en waarbij ELKE fase een opkomst, een blinken en een vergaan kent. Alles komt ten einde; uiteindelijk ons le-ven zélf. En nog eenmaal blinken we vooralleer te vergaan: voor we sterven en het aards toneel verlaten, blinkt ons bewustzijn nog een allerlaatste keer. Zoals de lorkbossen fel geel-oranje kleuren, vooralleer ze hun naalden verliezen. De eeuwige cyclus van leven en dood. En dan gaan we over naar een andere fase en dimensie. Dit leert ons Vissen, het Teken dat de Dieren-riemcyclus afsluit.

Bij de Indiaanse stammen van Canada, wordt de larix-boom nagapassi genoemd: de boom die buigt. En het buigzaam hout ervan wordt gebruikt om sleden van te maken, om van de ene plaats naar de andere te gaan.