|
Iep - Olm - Ulmus
![]() ![]() ![]() ![]() Wedden dat je al talrijke keren een Iep bent voorbij gewandeld, zonder hem te hebben herkend? Het is een vrij "archetypiese" boom, met een schors zoals elke zichzelf respekterende boom; met een kruin en takken zoals kinderen die tekenen; en met bla -deren van "dertien in de dozijn" , want sterk gelijken op die van talrijke andere bomen: eirond, gezaagd en veernervig. Daardoor gaat de Iep vrij onopgemerkt en anoniem door het leven: hij kan gemakkelijk met een andere boom verward worden. Trouwens, zijn Latijnse soortnaam "carpinifolia" wijst erop: "met bladeren die op die van de Haagbeuk lijken". Alleen in het vroege voorjaar laat hij iets speciaals zien: zijn bloei. En wanneer ik het "vroege voorjaar" schrijf, dan bedoel ik ook het prille voorjaar: zijn bloemknoppen beginnen reeds van-af maart, de Vissen-periode, open te gaan. Dan tooit de Iep zich met een enorme massa aan kleine, roodachtige bloempak-jes: de bloemen zelf zijn klein en rudimentair, al hebben ze alle attributen van tweeslachtige bloemen. Deze bloei en ook de vruchtvorming gebeuren razendsnel: in een mum van een tijd worden de platte, centvormige vruchtjes gevormd en afgewor-pen, zodat wanneer de iepenbladeren zich ontvouwen, een ta-pijt van iepenvruchtjes aan de voet van de boom liggen. De Ram-periode is dan pas voorbij, zodat een oud gebruik zegt, dat de akkers kunnen bezaaid worden wanneer het iepenblad begint uit te lopen. Wanneer Ram de Lente aankondigt, schiet alles in ijltempo uit de bodem naar omhoog: het is het Lente-Vuur dat alles tot le-ven wekt en tot groei aanzet. Het is alsof het vernieuwde leven een geweldige haast heeft, en het tempo opschroeft. In de be-schrijving van de Olm-Elm als Bachbloesem, vindt men dan ook dit PLOTSE en snelle karakter terug: opeens wordt wat daarvoor als "vanzelf" ging of vanzelfsprekend was, erg proble-maties en stroef. Plots draait het vierkant , of slaat men in een knoop. Op één of andere onverklaarbare manier is men ineens niet meer instaat tot wat hem daarvoor moeiteloos afging. Dat heeft niet meteen betrekking op het fysiek-energeties probleem van burn-out -het plots zonder energie vallen- maar op het al-gemeen verschijnsel van kwetsbaarheid. Ik verduidelijk dit: als boom met een DUBBELE identiteit -een Ram-essentie en een Vissen-essentie- toont de Iep ons zowel de kracht van Ram, als de gevoeligheid van Vissen. Aan de ene kant kan de Iep uitgroeien tot een kanjer van 40 meter hoog, en is "the sky the limit". Aan de andere kant hebben kleine kever-tjes deze soort bijna doen uitsterven: de boom is erg gevoelig voor een schimmelaantasting, verspreid door schorskevers. De-ze olmenziekte werd voor het eerst tijdens WO1 met houttrans-porten vanuit Azië geïntroduceerd. Een tweede, veel agressieve-re golf bereikte Europa vanuit de USA in 1970 en deed laan- en parkbomen massaal uitsterven. De schimmel verstopt de hout-vaten, waardoor de sapstroom niet meer kan stromen, de bla-deren verwelken en de boom uiteindelijk dood gaat. Het zijn niet alleen bomen die een zwak punt -een achilles-pees- hebben, maar ALLE levende wezens: door overbelas-ting krimpt de anders zo onverwoestbare held plots tot een kleine, zwakke mens. Edward Bach beschreef de Iep-mens als iemand die kracht put uit zijn zin voor altruïsme (Vissen) om zijn van zijn taken (Ram) te kunnen volbrengen. Zulke mensen identificeren zich volledig met hun taken, tot zegen van hun omgeving, maar met mogelijks een uitputtingscrisis tot ge-volg door proberen te voldoen aan alle verwachtingen van an-deren alvorens aan zichzelf toe te komen, en rekening te hou-den met eigen beperkingen en zwakheden. Dit DUBBEL karakter weerspiegelt zich ook in het hout van de Iep: aan de ene kant is het taai, ruw, hard en duurzaam (Ram). Het werd veel gebruikt door timmerlieden en scheepsbouwers, omdat meubels uit iepenhout vervaardigd bijna nooit aangetast worden door houtworm; parketten , trappen en klompen uit iepenhout zeer goed weerstaan aan afslijten; en omdat iepen-hout net als elzenhout zeer goed bestand is tegen natte omstan-digheden en rotting. Dit maakte het zeer geschikt voor het ma-ken van waterleidingen in steden (voor metaal werd gebruikt), de bouw van boot-en binnenvaartschepen, brugfundamenten, wielen van karren en doodskisten. ![]() ![]() De Latijnse naam ulmus, komt van ulginosus= vochtige groei-plaats. De Iep groeit in het wild aan de bosrand, in rivierdalen op vochtige, voedselrijke grond, vaak in het kreupelhout en waar een beetje schaduw en koelte is. De naam "ulmus" wordt in bijna alle Germaanse en Skandinaviese talen teruggevonden, zij het dan met verschillende klinkers: Elm (Engels en Deens) - Ulme (Duits) - Alm (Noors en Zweeds) - Olm (Nederlands) - Olmo (Italiaans, Spaans en Portugees) - Orme (Frans). Noteer dat de boom ook een DUBBELE naam heeft: Olm EN Iep; de herkomst van de tweede is nogal obskuur, en waarschijnlijk een vebastering van Friese en Rijnlandse dialekten: Yp (Fries) en Iffe-Ipfe; ook in het Frans bestaat Ypréau, verwijzend naar de stad Ieper (Ypres). Aan de andere kant blijven de iepentakken heel buigzaam en soepel (Vissen). Bij de Oude Romeinen werden de slaven met roeden van iepentakken gegeseld. Middeleeuwse Welshe boog-schutters verkozen hun longbows uit iepenhout te maken; ter-wijl Engelse boogschutters de voorkeur gaven aan taxushout. Het dubbele karakter van de Iep zorgt ervoor dat yang én yin, persoonlijk belang (egoïsme) en algemeen belang (altruïsme), beginselvastheid en mededogen aanwezig zijn: vandaar de uit de Keltentijd daterende oude gewoonte onder de grote Olm op het dorpsplein recht te spreken, waarbij schuld en aansprake-lijkheid werden gewikt en gewogen. Omdat ook bij iemands dood , zijn daden worden gewikt en gewogen, werd de Iep in de Keltiese mythologie geassociëerd met de onderwereld, en wer-den iepen op grafheuvels aangeplant: ze werden geacht een bijzondere band met Elfen te hebben die de doden en de door-gang naar de onderwereld bewaakten (cfr de doodskisten uit iepenhout). Volgens de Griekse mythologie verscheen het eer-ste iepenbosje toen Orpheus, na zijn terugkeer uit het schim-menrijk, zijn weeklagen verhief over het verlies van zijn gelief-de Eurydice. En wanneer de Romeinse schrijver Vergilius de "hel" beschrijft, plaatst hij midden in de toegang ervan een Iep "waar ijdele dromen in wonen". Verdere, meer pragmatiese toepassingen van de Iep, zijn tou-wen gemaakt van zijn bast (zowel in de "Oude" als in de "Nieu-we" wereld bij de Native Americans), en een afkooksel van de schors tegen zwellingen en ontstekingen zowel innerlijk als ui-terlijk (zweren, brandwondes, kwetsuren, keelontsteking, darm -ontsteking, oogontsteking), vanwege zijn samentrekkende en ontstekingswerende werking. ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |