Art 53
Ogentroost (Euphrasia)

Wanneer een kruid een naam krijgt, die refereert naar zijn medicinale toepas-sing, dan betekent dit dat de geneeskracht van de plant sedert oudsher ge-kend is en vaststaat. Ogentroost is sinds de Oudheid hét kruid voor alle moge-lijke aandoeningen en problemen met de ogen en het zicht: het helpt bij ont-stoken ogen (conjunctivitis), bij geïriteerde en tranende ogen, bij ooglidontste -king, verslechtering van het gezicht, bij "verkouden" en pijnlijke ogen (oog-katar), bij vermoeide en gezwollen ogen, bij brandende en rode oogleden en bij troebele ogen. In het Engels wordt de plant Eyebright = "heldere ogen" genoemd; en in het Italiaans Luminella (afgeleid van "lumen"=licht).
De wetenschappelijke naam Euphrasia verwijst naar het Griekse "euphros" = vreugde, vrolijkheid, opgewektheid. Een oogkwaal is iets wat het leven erg kan bemoeilijken en verzuren, dus van zodra men opnieuw helder en monter kan zien, voelt men zich blij en opgelaten dat het voorbij is.

Ogentroost komt in talrijke ondersoorten voor die van elkaar onderscheiden worden door een bepaald vormkenmerk, maar zijn allemaal halfparasieten: de planten zorgen met hun bladmassa voor hun eigen fotosynthese, maar voor de opname van vocht en stoffen uit de bodem parasiteren ze op grassen en cypergrassen. Hierdoor komen ze alleen op heel specifieke plaatsen voor waar hun gastheren groeien: in de duinen, in de heide, en op zand- en veen-grond. Open en droge plaatsen kortom, waar de meeste andere kruidige plan-ten het moeilijk hebben om zich te handhaven. Dank zij zijn aanpassing van half-parasitisme op grassen die op zulke plaatsen kunnen overleven, is Ogen-troost daar wel toe in staat.

De bloemen zijn mooie, tweelippige trechterjes in witte tot rozige tinten met een geel hart. Ze lijken een beetje op de lipbloemen van de Labiaten of op de helmpjes van de Scrofulaceae (toorts), maar werden uiteindelijk als een afzon -derlijke familie gerangschikt: de bremraapfamilie (Orobanchaceae). Ogen-troost bloeit vanaf mei tot aan de herfst.

De ogen zijn de spiegel van de ziel. Daarmee wordt bedoeld: ze reflekteren niet alleen hoe men zich op dat welbepaald moment voelt, maar ze geven ook het wezen van iemand weer. Wie men werkelijk IS, ongeacht alle toneel en maskers iemand kan opzetten om die kern juist te verbergen. Niet alleen let-terlijk kan men met iriscopie iemands lichamelijke konditie en kwalen zien; maar ook figuurlijk kan men iemands emotionele en mentale staat "aflezen": is hij gespannnen, of integendeel relaxed? staat hij open, of gesloten? is hij bereid erover na te denken, of niet? We maken eerst oogkontakt wanneer we iemand willen leren ontmoeten, of wanneer we iemand herkennen. "Iemand in het oog krijgen", houdt in dat men zich bewust wordt van zijn aanwezigheid en dat hij de belangstelling oproept. En niemand wordt graag "uit het oog verloren": in zijn kontakt en persoon in de steek gelaten.

ASTROLOGIES valt onze wezenlijke individualiteit of "kern" onder ons Zonne-wezen. Onze ogen stralen wanneer we ons goed en geliefd voe-len. En wanneer we ons slecht in ons vel voelen, dan weerspiegelt zich dat ook in onze ogen die "dof" schijnen. Dat is de relatie ogen-huid; het zal dus niet verwonderen dat het Ogentroost ook op de huid werkt: tegen acné, tegen huidstriemen, wonden en abcessen. Ogentroost werkt samentrekkend, slijm-verdrijvend en ontsmettend op ALLE slijmvliezen: speciaal ook die van de neus (neusverkoudheid, sinisitis, hooikoorts) en de longen (hoesten).

Men kan de beeldspraak hanteren dat de ogen het meest gevoelige stukje huid is, of het venster van de ziel naar de buitenwereld. "Zien" is als bewustzijnsakt zijn aandacht richten naar wat er in die buitenwereld "gebeurt": men neemt op (perceptie), en men verwerkt dit in zijn brein (reflektie). Als men iets ziet wat hem plezier doet, maakt hem dit blij, en heeft men blije ogen. Als men iets ziet wat hem pijn doet, dan maakt hem dit droevig. En droefheid en ver-driet doen de ogen wenen. Wanneer men zich gekwetst voelt door wat men ziet, kan men een oogontsteking krijgen. Men kan dus net zo de beeldspraak hanteren dat de ogen het meest naar buiten gestulpte zenuwstelsel is: de meest gevoelige plaats van ons lichaam. Door elkaar in de ogen te kijken, ont-staat er verbinding; dit is natuurlijk niet het voorrecht van de ogen, want met AL onze zintuigen staan we in verbinding met de wereld rondom ons.

Bijgevolg is Ogentroost het COMPLEMENTAIR KRUID voor het menstype dat teveel door zichzelf en zijn eigen aktiviteiten is opgeslorpt. Zo iemand is niet per se een "navelstaarder", maar hij leeft is zijn eigen uni-versum waarin hij zich gedeeltelijk tot grotendeels heeft opgesloten. Hij leeft in een bulb als ware het altijd Corona-epidemie, en "mengt" zich weinig tot niet men anderen. Hij leeft terugetrokken op zichzelf, en laat geen pottekij-kers toe. Wat er in de buitenwereld gebeurt, interesseert hem maar matig, of maakt hem bang en hij schermt er zich voor af. In zekere zin korrespondeert dit met het patroon van het ouder worden: we krijgen allen op latere leef-tijd problemen met onze ogen, niet alleen omdat onze ogen als orgaan begin-nen te verslijten, maar ook in de mate waarin we ons afsluiten van de buiten-wereld. We mogen geen oogkleppen dragen, maar steeds een open kijk op de wereld behouden, door het te filteren met onze geest. Net wat de plant doet door niet rechtstreeks maar onrechtstreeks met de bodem in kontakt te staan.

Als ANALOOG KRUID korrespondeert Ogentroost dan weer bij het menstype dat zich al te sterk mengt met die buitenwereld, en hierdoor zichzelf min of meer verliest. Men wil door anderen zo graag gezien worden(!), dat men zich teveel voor hen afslooft en hen teveel belang en waarde toekent. Sommige ontmoetingen zijn voorbijgaand, en sommige kontakten zijn kort-stondig, dus het is best van daar terdege rekening mee te houden in de manier waarop men hen aandacht schenkt. De uitdrukking "Parels voor de zwijnen geven" illustreert wat men beter niet doet, en waarom men steeds zijn akties moet evalueren/overdenken. Men mag heus wel, en moet eigenlijk, de zin van wat men doet in vraag stellen, om de balans tussen mijn en dijn, tussen zijn eigen (binnen)wereld en de buitenwereld niet uit het oog te verliezen. Zichzelf weggeven houdt steeds het risiko van "uitbuiting" (parasitisme!) en het ge-vaar van "uitputting" door leegloop in. Hiermee geeft Ogentroost ook een Maan-Neptunus-signatuur aan.

We kunnen tot slot niet over de ogen spreken, zonder het ook over het derde oog of de zesde chakra te hebben: het "zien" van de onzichtbare wereld, en het inzien als een hogere vorm van weten of begrijpen. Het komt er niet alleen op aan van als een toeschouwer naar "buiten" te kijken, maar ook en vooral om in te zien wat men er "binnenin" zélf mee te maken heeft. Aan de buitenkant verzamelt men kennis, een "weten"; aan de binnenkant wordt men zich bewust van hoe dat in zichzelf werkt: een inzicht. Want niemand staal los van de wereld en realiteit, maar maakt er deel van uit.